De petroleumlamp

Naast het licht van de open haard, kaarsen, olielampen en gasverlichting kwam met de ontdekking van petroleum, de petroleumlamp in vele huishoudens. De meest voorkomende vorm van verlichting in de periode 1870-1917 was de petroleumlamp. Ze bleef tot na de Tweede Wereldoorlog in gebruik. De gunstige prijs van de brandstof en de hoge lichtsterkte was haar grootste troef. Ondanks dat petroleum relatief goedkoop was, bleven in minder bedeelde huishoudens kaarsen en olielampen, met als brandstof raap-en koolzaadolie en zelfs walvistraan, in gebruik.

Met paard en kar en ook vaak met een hondenkar werden vaten petroleum langs de huizen vervoerd. Via een kraantje onderaan het vat kon olie worden afgetapt. Later gebruikten de mensen de brandstof ook voor petroleumbranders, kachels en fornuizen.