De plattebuiskachel

De plattebuiskachel in de woonkamer van ons museum, dateert waarschijnlijk van de  tweede helft van de negentiende eeuw.

Het verving toen in heel wat huishoudens de open haard. Het verwarmde efficiënter dan een open haard en gaf minder rook. Het succes hing samen met een stijgende steenkoolproductie.

Waarom de plattebuiskachel de naam ’Leuvense stoof’ kreeg, is blijkbaar een mysterie. Kwam het door het grote aantal Leuvense kachelsmeden? In 1908 waren er in Leuven immers 36 stovenbouwers. Of waren het de studenten die thuis vertelden over de stoven in de Leuvense cafés en huizen en zo voor de link zorgden? Niet iedereen sprak trouwens over een Leuvense stoof. Ook de termen ‘Mechelse stoof’, ‘Brabantse stoof’, ‘boerenstoof’ of ‘buzestove’ waren in gebruik.

De naam ‘plattebuiskachel’ verwijst naar de horizontale, balkvormige rookafvoerbuis met bovenaan een aantal openingen met deksels en uitneembare ringen.

Op de buis kon men ook koken of braden. De buis was het heetst net boven de gietijzeren pot. Daar kookte men soep en aardappelen en werden spek en eieren gebakken in de pan. Gerechten warm houden of laten sudderen kon verder op de buis. De wasteil voor de wekelijkse wasbeurt werd op de stoof verhit en de was erboven gedroogd. Aan de onderste buizen konden de voeten gewarmd worden. Warmhoudstenen of gewone bakstenen werden opgewarmd alvorens het bed te verwarmen. Op de buis kon men strijken en de gietijzeren strijkijzers opwarmen. Aan de leuning aan weerszijden van de platte buis droogde men natte sokken of keukenhanddoeken. Meestal hing daar ook ‘de koterhaak’. Men moest immers regelmatig eens ‘koteren’ in de pot om de asse door het rooster in de aslade eronder te laten vallen..

De buiskachel bleef tot een eind in de 20e eeuw populair. Bij de stoof hoorde ook een kolenbak en een kolenschop. In ons museum kan je een mooi exemplaar, uit gietijzer met een decoratief blauw geëmailleerd deksel, bewonderen.