de smid

In de geschiedenis van de mensheid heeft de smid een heel belangrijke rol gespeeld. Hij was de enige, die voor de opkomst van de machines, metaal kon bewerken.

Vanaf dat de mens metaal ging gebruiken, werd er al gesmeed. In de Oudheid hing er veel geheimzinnigheid rond de smid want hij was bezig met vuur en bij het bewerken van het gloeiend metaal spatten er vonken op. Hoe belangrijk een smid was, bewijst dat bij de Romeinen Vulcanus, de god van de smeden was.  En in de katholieke kerk had men Sint Eloys/ Elooi als patroonheilige.

De uitvinding van de blaasbalg was cruciaal voor de smeedtechnieken. Hierdoor kon men hogere temperaturen krijgen waarmee men het ijzer uit het ijzererts kon halen.  De IJzertijd was begonnen.  Voor onze streken wordt deze gedateerd op ongeveer 700 voor Christus.

De werkplaats van de smid noemt men de smederij. Centraal in de smederij staat het smidsvuur. In dat vuur wordt het ijzer gloeiend heet gestookt (tot over 1000°C) zodat het vervormbaar wordt. Op het aambeeld en met de nodige tangen en hamers geeft de smid het gloeiende ijzer de vereiste vorm. 

In onze contreien vond men in ieder dorp en ook in Deurne wel een smid. Voor de boer maakte hij ploegen, schoppen, harken. Voor de kuiper maakte hij de metalen banden om rond de vaten te doen.  Voor de timmerman maakte hij spijkers.  Voor de burger maakte hij kandelaars, afrasteringen, sloten.   Specialisatie ook een eigen specialisatie zoals hoefsmid of kunstsmid. 

In de woelige middeleeuwen had men ook een wapensmid.  Ieder leger had zijn eigen smid die instond voor het maken van de zwaarden, schilden en harnassen.

Met de opkomst van de machines verdwenen er veel smederijen. Nu heeft men nog de hoefsmid die de paarden van nieuwe hoefijzers voorziet. Of de kunstsmid die een mooi hekwerk maakt om de tuin af te sluiten.

Weetje: veel gezegden in onze taal zijn afkomstig van het beroep van smid. Denken we maar aan het ijzer smeden als het heet is, kolen op het vuur gooien of meerdere ijzers in het vuur hebben.