schrijnwerker/meubelmaker
We durven een schrijnwerker ook wel eens een timmerman noemen, want ze werken beiden met hout. Maar vroeger was er wel een onderscheid in het ambacht van timmerman en schrijnwerker. Een timmerman hield zich bezig met het houtwerk in gebouwen zoals dakconstructies, trappen, ramen en deuren. Een schrijnwerker was gespecialiseerd in fijnere houtbewerking, zoals het maken van meubelen, houten wandbekleding en schrijnen.
In schrijnwerker horen we het woordje “schrijn” voortkomende uit het Oudnederlandse “scrine” wat afgeleid is van het Latijnse “scrinium” wat kist of doos betekent. Schrijnen waren houten meesterwerkjes en werden gebruikt voor het bewaren van kostbaarheden, belangrijke documenten en relikwieën. In kerken vinden we wel eens een reliekschrijn waarin een stukje van één of andere heilige wordt bewaard, zo ook in onze Sint-Fredeganduskerk.
Schrijnwerkers/meubelmakers waren echte vaklui want in de tijd van ons museum waren houtschroeven nog niet zo algemeen verspreid als nu het geval. Meubelen werden toen bij elkaar gehouden met houtverbindingen zoals pen-en-gatverbinding of zwaluwstaartverbinding. Lijm kwam niet uit een plastic potje maar men gebruikte warme beenderlijm. Zoals de naam het zegt, werd deze lijm gemaakt van dierlijke beenderen.
Voor duurdere meubelen of meubelen op maat kun je nu nog terecht bij de schrijnwerker/meubelmaker. Andere meubelen kopen we bij grote meubelwinkels à la Ikea. En begin jij dan ook de meubels in elkaar te steken zonder eerst het bijgevoegde plannetje te raadplegen?