Het spinrokken en het spinnenwiel
Een spinrokken, een rokken of een spinrok is in feite een houten stok van ongeveer een meter lang, bovenaan voorzien van een verdikking. Hierop wordt het spingoed : wol vlas, hennep of katoen bevestigd. Dit noemt men ‘het rokkenen’. Het spingoed is de kluts. Zou de Vlaamse zegswijze ‘ De kluts kwijt zijn’ van deze dagelijkse bezigheid van vrouwen, het handspinnen afkomstig zijn? Zat de spinster nadat de kluts was leeg gesponnen een tijdje met lege handen en aarzelde ze om een nieuw stuk te rokkenen?
Door steeds wol uit te rafelen van de kluts en die terzelfdertijd te verdraaien met behulp van spintol/konkel of een spinnenwiel, bekomt men een draad. De spintol of konkel, een rond stokje met onderaan een plat rond schijfje waaraan een draad wordt bevestigd. Dit stokje wordt in een draaibeweging gebracht, net zoals bij een tol. Hierdoor gaat de wol zich draaien, spinnen dus. De gesponnen wol wordt rond het stokje gedraaid. Door het gewicht van het schijfje hangt de konkel strak naar beneden en versterkt het de draaiende beweging. Spinschijfjes werden vervaardigd uit natuursteen, maar ook uit hout of bot. In ons museum op de archeo-zolder bezitten we enkele zeer oude exemplaren.
In onze taal betekent konkelen ‘draaien, zich wenden, ook in figuurlijke zin en konkelfoezen ‘ intrigeren, bedrieglijk handelen’. In de kunst is het spinrokken symbool voor de vrouw en de verpersoonlijking van vlijt.
De eerste spinnenwielen doken op rond het jaar 1000 in Azië. Eerst aangedreven met de hand later met de voet. Door de kracht van het wiel wordt de draad harder gesponnen. Vanaf het begin van de 16e eeuw kwamen spinnenwielen algemeen in gebruik en ging het spinnen van wol een stuk sneller dan met de spintol. Twee tot vier keer sneller. Het met de hand spinnen was tot ongeveer 1800 heel belangrijk voor de linnen-en lakennijverheid.